Overige onderwerpen

Onder de overige onderwerpen vallen onderwerpen die niet over het leven aan boord handelen, maar wel in het interessegebied van Herman Ketting vallen. Als geboren Amsterdammer wil hij uiteraard soms een stukje over het verleden van Amsterdam schrijven. In de historische verhalen in categorie 8b zal een grote historische vrijheid gehanteerd worden, maar deze verhalen staan wellicht heel dicht bij de werkelijkheid. Ze kunnen gelezen worden als bladzijden uit een roman. De boekrecensies in 8c spreken voor zich. Scheepsbouw wordt opgesplitst in twee onderdelen. Het eerste deel is vooral technisch en gebaseerd op het werk van Herman Ketting sr. In sommige gevallen is de tekst enigszins bewerkt door Herman Ketting jr. Het tweede deel over scheepsbouw geeft een ruimere beschrijving van het ambacht. Niet alleen de techniek van de scheepstimmerlieden maar ook economische, sociale en culturele aspecten van deze beroepsgroep zullen aan de orde komen. Amsterdamse chirurgijns en gezondheidszorg zullen in 8f besproken worden. Tenslotte zullen regionale geschiedenis in 8g voorlopig vooral stukjes over de kop van Noord-Holland opgenomen worden.

Advertenties

Werkzoekenden en werving: inleiding

De categorie werkzoekende en werving is een afgesloten geheel en bestaat uit tien delen. Het eerste deel op de rand van het bestaan laat vooral de leefomstandigheden op het platteland van Holland in de 16de eeuw zien en de noodzaak van de boeren om op zee bij te verdienen. De stad leek aantrekkelijk en door oorlogsgeweld en watersnood werd de vlucht naar de stad voor veel boeren onvermijdelijk. Deel twee Trek naar de stad en de arbeidsmarkt voor de VOC beschrijft de gevolgen van deze trek naar de stad voor het platteland, de stad en de arbeidsmarkt. Daarna wordt in deel drie duidelijk gemaakt hoe rijke Amsterdamse kooplieden inspeelde op de nieuwe handelssituatie en besloten om zich in de Aziatische vaart te mengen. Voor deze vaart hadden de bewindhebbers, die een Compagnie voor de vaart op Azië hadden opgericht, zeelieden nodig. In deel vier Ons kent ons wordt duidelijk op welke wijze vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor zeevarenden bij elkaar gebracht werden. Het volgende deel Nieuwe arbeiders voor de VOC gaat in op het aanbod en herkomst van toekomstige zeelieden voor de VOC. Met de toename van het aantal zeelieden dat zich aanbood op de arbeidsmarkt en de uitbreiding van het herkomstgebied van deze zeelieden vonden, zoals we in deel 6 Een gat in de markt zullen zien, veranderingen in het systeem van werving op de arbeidsmarkt plaats. In het volgende deel over Het zielverkoperssysteem lezen we hoe dit systeem tot het eind van de VOC-periode functioneerde. In de laatste drie delen krijgen we een kijkje in het doen en laten van zeelieden tijdens hun verblijf in een zielverkopershuis. In deel acht volgen we een toekomstige VOC-soldaat op zijn reis van zijn woonplaats naar Middelburg waar hij bij een zielverkoper in de schulden raakt. In de laatste twee delen, respectievelijk Verkeerd volk in het logement en De eerste leerschool in een zielverkopershuis zien we hoe zeelieden in aanraking komen met misdadige gezellen en hoe jongens het losbandige leven in de kroeg ervaren en voor het eerst de sodomitische zonde bedrijven.

©   Herman Ketting.

1. Op de rand van het bestaan

RP-P-OB-10.525In de eerste helft van de 16de eeuw begon de bevolking in de kustgebieden van de Noord- en Zuiderzee toe te nemen. Hier gevestigde boeren combineerden landbouw vaak met zeevaart. Zij vonden hun leefomgeving armzalig. Zeemist binnentrekkend vanuit de Noord- en Zuiderzee en nevels uit brakke meren, zoals Beemster, Purmer en Wormer brachten ziekten en ongemak over de bevolking. Het leek of de kwade dampen uit de diepten van de zee oprezen. Muggen hadden hier een ideale leefomgeving. Malaria werd nog niet herkend, maar ondermijnde de gezondheid van de bevolking [zie afbeelding 1].[1]Scannen0042
Het land bracht weinig op, de drassige landerijen waren slechts geschikt voor wat veeteelt. Met vis- en vogelvangst konden de boeren iets extra’s op tafel brengen [zie afbeelding [2]. Wanneer zij echter brood of groenten wilden kopen dan moesten zij naar de markt. Het geld dat zij daar uit gaven, verdienden zij als landarbeider of in de zeevaart. De mogelijkheid om in de nog kleine havenplaatsen als zeeman aan te werven was van levensbelang voor de keuters. Het gaf de kleine bedrijven nog enig bestaansrecht op het platteland [zie afbeelding 3].
Ondanks het feit dat met grote moeite een karig bestaan opgebouwd kon worden met de kleine boerenbedrijfjes. Bracht de ellende op het platteland de boerenbevolking toch steeds vaker in de verleiding om naar de stad te trekken. Het leven op het platteland was te kwetsbaar. Velen zochten een bestaan veilig achter de stenen stadsmuren. In de West-Friese steden Medeblik, Enkhuizen en Hoorn begon de bevolking te groeien. Zuidelijker gelegen steeg het aantal inwoners in Edam, Monnickendam en Purmerend, maar vooral ook in Amsterdam.Scannen0036
Toen Holland in de jaren zeventig tijdens de opstand tegen Spanje al de gruwelen van oorlogsgeweld over haar heen kreeg, werden dijken doorgestoken, waardoor landbouwgrond onder water kwam te staan. Geuzen en Spaanse troepen branden dorpen plat. De achtergebleven bewoners moesten soms leven in hutten van het afvalhout van hun verbrande huizen. Daarbij kwamen nog de stormvloeden. Die zo om de zeven à acht jaar wel plaats vonden en het land deden verzilten. Grote schade bracht de Allerheiligenvloed van 1570. De Honds Bosse zeewering brak door, waardoor het dorp Zijpe in de zee verdween. Ook in Huisduinen, Egmond en Zandvoort verdwenen huizen in zee. Vele honderden mensen verdronken [Afbeelding 4]. Tot in Amsterdam stonden de straten onder water, omdat de dijk tussen Muiden en Diemen was doorgebroken. In de daarop volgende jaren moeten de kosten SK-A-1770voor het herstel na het oorlogsgeweld en de dijkdoorbraken groot zijn geweest. Veel boeren hielden het dan ook niet langer vol. Waar dijkonderhoud noodzakelijk was, staken zij de schop in de dijk als teken zij de kosten niet langer op konden brengen. Boerengezinnen vertrokken in grotere getale naar de stad.[2]

Afbeelding 1: Een pover bestaan op het platteland (Rijksmuseum, Amsterdam).
Afbeelding 2: De boeren trachten met het uitzetten van fuiken en het vangen van vogels iets extra’s op tafel te brengen.
Afbeelding 3: De vissersvloot telde vele boeren onder zijn bemanningsleden (Rijksmuseum, Amsterdam).
Afbeelding 4: Armoede, oorlogsgeweld en de verdrinkingsdood treffen de plattelandsbevolking (Rijksmuseum, Amsterdam).


[1]Otto Knottnerus, ‘Angst voor de zee. Veranderende culturele patronen langs de Nederlandse en Duitse waddenkust (1500-1800)’in: C. Davids e.a. ed. De Republiek tussen zee en vasteland (Leuven/Apeldoorn 1995) 57-83.
[2] A.M. van der Woude, Het Noorderkwartier (Utrecht 1983) en Henk van Nierop, Het verraad van het Noorderkwartier (Amsterdam 1999).

© Herman Ketting.

2. Migratie naar de stad en de arbeidsmarkt voor de VOC

RP-P-OB-23.186De gevolgen van de trek naar de steden, in het bijzonder Amsterdam, waren dat de grondprijzen daalden en door de groeiende bevolking in de steden een vraag naar gespecialiseerde landbouwproducten ontstond: zuivelproducten, groente en fruit en gewassen voor de nijverheid, zoals bv. meekrap of wol. Een ideale situatie voor investeerders met voldoende geld om land te kopen en grote boerenbedrijven op te zetten, die voor de markt produceerden. Kleine boeren moesten op de markt hun levensmiddelen aanvullen[zie afbeelding 1]. De kloof tussen rijk en arm werd groter op het platteland [zie afbeelding 2]. De investeerders en de kleine boeren die waren gebleven leefden zij aan zij. Steeds vaker moesten deze laatsten zich verhuren als landarbeider. De mogelijkheden hiervoor namen enerzijds toe maar anderzijds kwamen steeds meer keuterboeren op de arbeidsmarkt zodat betaald werk schaars bleef. Een proces dat zich al aan het voltrekken was, werd versneld. Veel plattelanders besloten nu niet alleen in het seizoen naar zee te gaan, maar kozen definitief voor de zeevaart. Om meer kans op werk te krijgen trokken zij vaak naar de havensteden.RP-P-OB-52.303
In de stad woonden de meeste zeelieden in de stegen en achterstraatjes van het havenkwartier. Wanneer ze geen werk op zee konden krijgen, probeerden zij met los werk een paar centen bij te verdienen. In Amsterdam was dat niet anders. Ook hier woonden zeelieden met enige ervaring in de oude middeleeuwse stad, vlak bij de haven. Zij waren echter niet de enige die naar werk zochten.
Het arbeidsaanbod was veel groter. In schamele schuilplaatsen in de bogen van de nog middeleeuwse stadsmuur hielden vagebonden en daklozen zich schuil. Vlak buiten de stad ontstonden wijken met houten bebouwing [zie afbeelding 3] langs de sloten en paden die naar de stad leiden. Hier woonden aan het eind van de 16de eeuw vaak verarmde boeren uit Holland en Friesland die hun geluk in de stad probeerden te zoeken. In deze jaren kwamen eveneens de eerste Zuid-Nederlanders. Dit waren meestentijds kooplieden of ambachtslieden. Zij zochten zelden werk aan boord van de schepen.
Voor reders en schippers was het belangrijk dat zij uit dit arbeidspotentieel de meest ervaren en bekende zeelieden konden kiezen. Toen de bemanning voor de eerste schepen naar de Azië RP-P-1921-514gemonsterd moest worden, vielen de bewindhebbers dan ook terug op beproefde methoden uit de eerste helft van de 16de eeuw en zelfs vroegere tijden. Zij probeerden via hun netwerk de meest competente en betrouwbare bemanningsleden te monsteren. Bij het werven van bemanningen werd uit de directe omgeving gerekruteerd.[1]

Afbeelding 1: Boer komt met eieren van de markt. (Rijksmuseum, Amsterdam).
Afbeelding 2: Armoede op het platteland. (Rijksmuseum, Amsterdam). 
Afbeelding 3: Het leven buiten de poorten van Amsterdam. (Rijksmuseum, Amsterdam).

_______

[1] Marijke Carasso-Kok ed., Geschiedenis van Amsterdam. Een stad uithet niets. (tot 1578) (Amsterdam 2004), Hubert Nusteling, Welvaart en werkgelegenheid in Amsterdam 1540-1860 (Amsterdam/Dieren 1985) en S. Hart, Schrift en getal (Dordrecht 1976).

©   Herman Ketting.

3. De eerste bewindhebbers van de VOC

scannen0015In het vroege voorjaar van 1594 kwamen een aantal kooplieden bij elkaar in het huis van wijnkoper Martin Spil in de Warmoesstraat: in die tijd één der rijkste straten van Amsterdam. Zij wilden de mogelijkheden onderzoeken om een reis naar Azië te organiseren. Het waren niet de minste kooplieden. We zien daar Hendrick Arentz Hudde, Reinier Pauw, Pieter Dircksz Hasselaer, Jan Jansz Kaerel, Syvert Pietersz Sem en Arent ten Grootenhuys aan tafel zitten. Verder waren er Jan Poppen, een Duitser die al enkele decennia in Amsterdam woonde, en de van Antwerpen komende Dirck van Oss. Ten slotte deed als enige uit een oude katholieke familie Hendrick Cornelisz Buyck mee. Gerrit Bicker kwam bij de groep initiatiefnemers toen Hendrick Hudde in 1596 overleed.
Wanneer een persoon aangewezen moest worden die centraal stond in het netwerk van initiatiefnemers dan was het wel Hendrick Hudde. Hij was in 1589 tot burgemeester gekozen en was al langer lid van de Vroedschap. Hij werd gezien als een der rijkste mannen van Amsterdam.scannen0016 Reynier Pauw [afbeelding 1], Gerrit Bicker en Pieter Dircksz Hasselaer [afbeelding 2] kon hij uit de stadsregering en met Ten Grootenhuys en Jan Jansz Kaerel had hij familiebanden. Hasselaer en Jansz Kaerel hadden samen met de Zuid-Nederlander Dirck van Oss [afbeelding 3] reeds investeringen gedaan in de vaart om de Noord. Zij wisten dus dat Dirck van Oss eveneens geïnteresseerd was in de vaart op Azië. Ook Van Oss trad toe in hun risicovolle onderneming. Voor zover was na te gaan waren Hendrick Cornelisz. Buyck en Sijvert Pietersz. Sem [afbeelding 4] betrekkelijke buitenstaanders in het gezelschap.[1] Het bevolkingsaantal van Amsterdam was in 1589 echter nog zodanig dat de meest gefortuneerde kooplieden in de stad elkaar kenden.
Deze ondernemers waren allen leden van de oude Amsterdamse elite die voor 1566 de touwtjes in handen had. Na de beeldenstorm hadden zij vanwege protestantse sympathieën de stad moeten verlaten. De Habsburgers hadden toen de katholieke factie in het zadel geholpen. Met de Alteratie van 1578 keerde Amsterdam echter terug in het Protestantse kamp der Prinsgezinden.scannen0017 De oude elite kon haar plaatsen op het pluge weer innemen. De handelssituatie echter was inmiddels veranderd. Vooral de vaart op Portugal, waar de Portugezen specerijen uit Azië aanvoerden, werd belemmerd. Het was daarom dat deze kooplieden, die altijd op de vertrouwde Europese vaarten hun handel hadden bedreven nu probeerden in de risicovolle vaart op Azië te stappen. Hoewel de eerste reis naar de Oost geen onverdeeld succes was, bleek de animo om door te gaan met de vaart op Azië groot. Er werd zelfs een tweede Compagnie opgericht die al snel fuseerde met de groep die in de eerste schipvaart had geïnvesteerd. Samen werden ze de Oude Compagnie genoemd. Het aantal bewindhebbers werd nu uitgebreid tot 23 man. Het aandeel van de oude elite was verminderd. Een aantal kapitaalkrachtige Zuid-Nederlanders had zich bij de investeerders aangesloten. In 1602 zouden ze opgaan in de VOC. Met de oprichting van de VOC werd besloten dat de stadsregeringen waar een kamer van de VOC gevestigd was grote invloed kregen bij het aanstellen van bewindhebbers. Wat betekende dat de oude elite haar greep op de organisatie weer scannen0019versterkte. In Amsterdam werden tussen 1606 en 1630 door de burgemeesters 23 nieuwe bewindhebbers aangesteld. Hiervan hadden er 12 voor of tijdens hun bewindhebberschap een functie in de stadsregering. Zij behoorden tot de kapitaalkrachtige groep die de stad bestuurden. Van de overigen zullen een aantal vrijwel zeker familiebanden of gezamenlijke belangen hebben gehad.[2] Hoe konden deze gefortuneerde kooplieden de kloof naar de straat overbruggen om de daar levende zeelieden te werven?

 

Afbeelding 1: Reinier Pauw. Foto uit Mollema, eerste schipvaart.
Afbeelding 2: Pieter Hasselaer. Foto uit Mollema, eerste schipvaart.
Afbeelding 3: Dirck van Oss. Foto uit Mollema, eerste schipvaart.
Afbeelding 4: Syvert Pietersz. Sem. Foto uit Mollema, eerste schipvaart.


[1] Mollema, J.C., De eerste schipvaart der Hollanders naar Oost-Indië. 1595-1597 (2e druk; ’s-Gravenhage 1936).
[2] Lesger, Cle., Handel in Amsterdam ten tijde van de Opstand. (Hilversum 2001).

© Herman Ketting.

4. Werving: ons kent ons

Scannen0003Voor de zeelieden, de mannen die benedendeks op de overlopen leefden, was de tijd in de jaren negentig van de 16de eeuw nog niet rooskleurig. Weliswaar was de oorlogsdreiging geweken, maar vanwege de aangerichte schade zochten veel potentiele zeelieden werk in de handelsvaart. Bovendien waagden de varensgezellen, die op het platteland leefden of sinds kort naar de kleinere en grotere havensteden van de Republiek waren getrokken [afbeelding 1], het niet om de grote kooplieden die de VOC bestierden naar werk te vragen. Op hun beurt verwaardigde de kooplieden of bewindhebbers van de VOC zich niet tot het aanspreken van de gewone scheepsgezel.
De bewindhebbers van de VOC losten dit probleem op door eerst via hun netwerk van bekenden naar de hoogste scheepsofficieren, zoals schippers, stuurlieden en kooplieden te zoeken, die vervolgens met goedkeuring van het hele college aangenomen moesten worden. Verder gingen zij niet bij het aannemen van scheepsvolk, maar de nieuw aangenomen officieren waren wel in de positie om de kloof naar het gewone scheepsvolk te dichten. Zij traden als bemiddelaars op.
Toen de bewindhebbers van de Oude Compagnie bemanningsleden voor de vierde schipvaart nodig hadden, ging het dan ook niet anders. Zij formeerden een college van aanmonstering, waarin Reynier Pauw, Jan Poppen en Arent Grootenhuys samen met hun medebewindhebbers Vincent Bronckhorst en Elbert Jonckheyn zitting hadden.
De schippers of kooplieden die door de bewindhebbers aangesteld werden, waren soms verwanten maar meestentijds mannen die bekend waren en ervaring hadden uit vorige reizen op de Oost.Scannen0004
Het waren deze schippers of stuurlieden die scheepsvolk wisten te vinden. Zij steunden op hun lokale netwerk om goede en betrouwbare zeelieden aan te nemen.
Anderzijds waren zij zo bekend in de havens dat zij ook aangesproken konden worden door bekenden, die hen op een zeeman konden wijzen met belangstelling voor een reis naar de Oost [afbeelding 2]. Zo voorkwamen de schippers dat zij het ergste gajes uit de stad of door het oorlogsgeweld op de dool geraakte vagebonden aan boord kregen [afbeelding 3].
Rond 1600 wist schipper Hendrik Jansz. uit Monnickendam voor de vierde uitreding naar Azië bijna de helft van zijn bemanning op het schip Leiden uit zijn directe omgeving te rekruteren. Eenentwintig bemanningsleden kwamen uit Monnickendam en vijftien zeelieden uit naburige steden als Purmerend en Edam of dorpen in het Waterland.
Om een groot deel van een VOC-vloot te bemannen kon het rekruteren via lokale scannen0021netwerken van bekenden en tipgevers tot het begin van de jaren dertig van de 17de volstaan. In 1633 slaagde de Alkmaarse schipper Jacob Fransen Brand van het fluitschip Schagen er nog in om elf stadgenoten aan te monsteren. Dat betekende dat meer dan een vijfde van de bemanning uit zijn eigen omgeving kwam. Er waren echter ook al zeelieden die een schuldbekentenis aan toonder af hadden moeten geven en vanwege hun schuld min of meer verplicht waren om langdurige contractarbeid bij de VOC aan te gaan.[1]

Afbeelding 1: Vertrek naar de stad. Pentekening door H. Ketting sr.
Afbeelding 2: Havenfront van een Zuiderzeestad. Rechtsonder wordt volk aangeworven. Pentekening door H. Ketting sr.
Afbeelding 3: Volk dat niet meer in aanmerking komt voor de zeevaart. Detail uit feestende bedelaars, door Joost Cornelisz. Droochsloot. Uit: Eddy de Jongh & Ger Luijten, Mirror of everyday live.


[1] Ketting, Herman., Leven, werk en rebellie aan boord van Oost-Indiëvaarders. (Amsterdam 2002).

© Herman Ketting.

5. Nieuwe arbeiders voor de VOC

SK-A-2513De bewindhebbers van de VOC zonden rond 1630 steeds omvangrijker vloten naar de Oost. Het waren er inmiddels drie per jaar: de voorjaarsvloot, de kermisvloot (eind september) en de kersvloot. Tegelijk was het beleid van de bewindhebbers zodanig dat zij mee wilden doen aan de handel binnen Azië. Versterkte handelsposten en soms zelfs forten moesten gebouwd worden op plaatsen waar de VOC een vestiging verlangde. Een vloot voor de Indische wateren moest opgebouwd worden [afbeelding 1]. Hiervoor waren veel zeevarenden en soldaten nodig, maar ook ambachtslieden en schrijvers. De vraag naar personeel liep snel op van 3000 naar 4000 man per jaar. Deze vraag naar personeel ging het aanbod op de lokale arbeidsmarkt overschrijden.
Op het moment dat personeelstekort voor de VOC dreigde, raakte de bevolking in de Duitse gebieden door oorlog en rampspoed op drift. In 1618 brak de dertigjarige oorlog uit. Deze bracht de landbouw in Duitsland tot stilstand en in de steden stegen de prijzen van landbouwproducten torenhoog. In de 1624/25 en vooral 1637/38 waren er misoogsten en werd het land door legers geteisterd. Vooral de zeer kleine boeren die voor hun bestaan nog voedsel op de markt moesten bijkopen werden het slachtoffer. In de jaren die volgden daalde de prijzen sterk en kwamen daarentegen vooral boeren die voor de markt produceerden in de problemen. Generaal Van Werth, die in deze jaren met zijn leger vanuit de vesting Hammerstein door het westen van Duisland trok, vermelde in zijn aantekeningen dat duizenden inwoners in het gebied langs de Rijn van honger gestorven waren, vele mijlen kwam men niemand tegen. De soldaten moesten hun gestorven paarden eten. En, met de honger kwamen ook de epidemieën. Van 1636 tot 1640 heerste de pest. In veel dorpen en stadjes stierf de helft van de bevolking. In het stadje Wetten in Hessenland bleven slecht 60 mensen in leven. Een vijfde deel van de bewoners.[1]Watersnood
De Duitse Noordzeekust, waar het oorlogsgeweld iets minder was, werd door een andere ramp getroffen. Er vond een overstroming plaats die zijn weerga niet kende. In de nacht van 11 op 12 oktober van 1634 beukte een stormvloed op de eilanden en kusten in de Duitse Bocht. Het eiland Strand voor de haven van Husum werd van de kaart geveegd. Zeker 6000 eilandbewoners vonden de verdrinkingsdood. Zeeschepen werden door het water vanuit de haven van Husum in de hoofdstraat van deze stad getild. Ook andere eilanden in de Duitse Bocht werden zwaar getroffen [afbeelding 2].[2]
Veel van deze ontheemde Duitsers trokken naar de Hollandse havensteden en daarbij in het bijzonder naar Amsterdam. Vanuit het stroomgebied van de Rijn kwamen zij vaak op houtvlotten, die tegelijk hout voor de scheepsbouw aanvoerden [afbeelding 3]. Vanuit de gebieden rond Munster en verder naar het Oosten trokken de ontheemde migranten in Bentheim over de grens, via de Overijsselse Vecht of ze stapten samen op scannen0024over de weg. Uit de vaak door overstromingen geteisterde Duitse kustgebieden kwamen de meeste per schip over de Wadden- en Zuiderzee. De VOC kon een werkgever zijn voor deze mannen die hun bestaan en dat van hun gezin opnieuw moesten opbouwen.

Afbeelding 1: VOC-schepen en inheemse schepen op de rede van Batavia in het midden van de 17de eeuw. Het kasteel van Batavia en andere versterkingen zijn inmiddels gebouwd. (Schilderij van Hendrick Jacobsz. Dubbels, Rijksmuseum, Amsterdam)
Afbeelding 2: De verschrikkingen van een stormvloed.
Afbeelding 3: Houtvlotten waarop veel Duitsers uit stroomopwaarts gelegen gebieden van de Rijn naar de havensteden van Holland kwamen. (Anoniem, particuliere collectie)


[1] Abel, Wilhelm., Agrarkrisen und Agrarkonjunktur. (Hamburg und Berlin 1978) 158-161.
[2] Buisman, J., Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Deel 4 (Franeker 2000).

© Herman Ketting.