7. Het zielverkoperssysteem

Scannen0006Mensen als Hendrick Jans, Jan Albertsz en Stijntien Adriaensz., die onderdak boden aan zeelieden en ander door de stad dolend werkvolk, lijken met enkele anderen eigenaren van logementen de eersten te zijn die inzagen dat aan de door de stad zwervende vreemdelingen goed was te verdienen.[1] Zij gaven onderdak tot de heren van de VOC begonnen met werven voor de volgende VOC-vloot [afbeelding 1]. De slaapbazen wezen dan op de hoge schulden die deze vreemdelingen bij hen hadden en presten hen om bij de VOC aan te monsteren. Wanneer dat lukte lieten de kroegbazen in 1636 de nieuwbakken zeelieden al schuldbekentenissen 100 gulden en veel meer tekenen, die zij incasseerden in de loop van de jaren dat hun voormalige ‘gasten’ op zee zaten. Al snel waren er tal van andere logementhouders die wel mee wilden delen in deze lucratieve handel in arbeid.
Toen het systeem zich begon te vestigen, bleven andere eigenaars van lounge kroegen, logementen en hoerenkotten niet langer passief toekijken tot iemand om een onderkomen vroeg. Zij stuurden nu hun agenten, Kat en hond genaamd, de straat op. Naar de Nieuwe Brug en andere plaatsen waar veel werkloze zeelieden en vreemdelingen te vinden waren [afbeelding 2 en 3]. Ze klampten deze aan met mooie praatjes over goede onderkomens en gaven het adres van een kroeg of logement. De eigenaren van deze vaak duistere lokalen deinsden er vaak niet voor terug om een jaarinkomen of meer van zeelieden te eisen, waarvoor deze laatsten dan met meerdereScannen0003 lotgenoten in een vochtige kelder of op een tochtige zolder een slaapplaats kregen. De maaltijden waren om de kosten te besparen uitermate slecht. Dit maakte dat de winst op de ceel (de schuldbekentenis aan toonder) maximaal was. En met dit oogmerk, gaven de houders van deze lokalen aan zeelieden een uitrusting van abominabele kwaliteit mee. Deze uitrusting was zo slecht dat de uitdrukking ‘een zielverkopersmes’ al snel algemeen bekend werd.
De schuld die de zeevarenden op deze manier opbouwden, betaalden zij terug met hun ‘twee maanden gage op hand’, die de VOC direct uitbetaalde en met de transportbrief, die zij bij aanmonstering konden laten opmaken. De zeeman liet op de transportbrief of ‘ceel’ het verschuldigde bedrag vermelden en gaf dit waardepapier aan zijn schuldeiser. Deze laatste kon zijn ‘ceelen’ eenmaal per jaar op het VOC-kantoor gedeeltelijk laten verzilveren, mits zijn gewezen gasten voldoende op hun rekening hadden staan. De kans was echter groot dat de schuld nooit afbetaald werd. Ziekte, ongeval of desertie konden met zich meebrengen dat de rekening van de zeeman geblokkeerd werd. Bovendien waren de slaapbazen en volkhouders of –houdsters zelf vaak niet kapitaalkrachtig. Zij hadden vaak schulden bij leveranciers, zodat zij de periode tot de dag van de uitbetaling van de schuldbrief in veel gevallen niet konden overbruggen. Om zo min mogelijk risico te lopen verkochten deze logementhouders hun ‘ceelen’, wat hen de naam zielverkoper opleverde. Degenen die de ‘ceelen’ opkochten, de zielkopers, waren heel wat gefortuneerder en kochten grotere aantallen ‘ceelen’. Het meest lucratief zal deze handel zijn geweest voor handelaars in schuldbrieven, die voorkennis hadden. Zij konden bij het vergaan van een schip of nadat ze te horen hadden gekregen dat op een bepaald schip een epidemie was uitgebroken hun ‘ceelen’ afstoten voor het incident algemeen bekend werd.[2]
Hoe snel dit zielverkopersysteem om zich heen greep blijkt uit het aantal zeelieden dat al in het begin van de jaren veertig met schuld vertrok. In 1641 vertrokken op de Nassau van de 249 opvarenden zo’n 160 bemanningsleden met een schuld hoger dan vijftig gulden. Twee jaar later schepen op de Walvis 265 bemanningleden in. Van hen vertrokken er 147 met een dergelijke scannen0022schuld aan een buitenstaander.
Bekende zielverkopers waren in het begin van de jaren veertig van de 17de eeuw bijvoorbeeld Jenus Hutten en Dorothea Joosten. De eerste kon na aanmonstering op de Nassau maar liefst 1280 gulden aan schulden opeisen. Dorothea had na het sluiten van het wervingskantoor als schuldeiser 1160 gulden te goed, verdeeld over zes bemanningsleden van de Walvis.[3]

Afbeelding 1: Met trommel en schalmei werd de werving van de VOC voor de nieuwe vloot aangekondigd. Door H. Ketting sr.  Part. collectie.
Afbeelding 2: Straatbeeld aan de oostzijde van de Nieuwe Brug (detail).
Afbeelding 3: De Nieuwe Brug in vogelvlucht (detail. Kaart Cornelis Anthonisz., 1538).  


[1] NA, VOC 5271, grootboek en journaal van het schip Keizerin (1636).
[2] Van Alphen, M., ‘The female side of Dutch Shipping: Financial bonds of seamen ashore on the 17th and 18th Centuries’, in: J.R. Bruijn e.a., Anglo-Dutch mercantile marine relations 1700-1850 (Amsterdam/Leiden 1991). Ketting, Herman., Leven, werk en rebellie aan boord van Oost-Indievaarders 1595-1650. (Amsterdam 2002) 62-65.
[3] NA, VOC 5276, grootboek en journaal van het schip Nassau (1641- 1643) en NA, VOC 5277, grootboek en journaal van het schip Walvis (1643-1644).

©   Herman Ketting.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s